Door de oude stad van Edinburgh loopt de Royal Mile over een heuvelrug, van het kasteel op zijn rots omlaag naar Holyrood Palace; aan weerszijden takken de closes af, steegjes die steil afdalen naar verborgen binnenplaatsen. Bij de ingang van het kerkhof van Greyfriars staat een beeldje van Bobby, het hondje dat jarenlang bij het graf van zijn baasje zou hebben gewaakt, en rond de Grassmarket, onder het kasteel, serveren de pubs haggis, gehakt schapenorgaanvlees met haver en kruiden. In het noorden, aan de andere kant van de Princes Street Gardens, werd in de tijd van de Verlichting de nieuwe stad aangelegd, met rechte straten en Georgiaanse pleinen.
Op Calton Hill, tussen de monumenten, kijk je uit over de daken van het centrum. Ten noordwesten ligt Dean Village, met oude molens diep in het dal van de Water of Leith, en het pad langs het water loopt tot in Leith, de havenwijk, waar de pakhuizen visrestaurants zijn geworden. In augustus, tijdens het festival en de Fringe, wordt er in elke zaal en zelfs op straat gespeeld.
Het regent vaak, maar meestal in korte buien, en op de heuvels waait het stevig. In de zomer zijn de dagen lang en blijft het tot laat in de avond klaar. In mei kleurt de gaspeldoorn de hellingen van Arthur's Seat geel. In de winter zijn de dagen kort, koud en vochtig, en voor Hogmanay, het oudejaarsfeest, trekt een fakkeltocht door de oude stad.
