Ten westen van de Puerta del Sol ligt het Madrid van de Habsburgers: de Plaza Mayor, omsloten door arcaden, waar je een broodje met gefrituurde inktvis eet, en dan de hellende straten van La Latina, waar op zondagochtend de rommelmarkt van de Rastro staat. Daarna is het tijd voor het vermoutuurtje, van het vat getapt en met een olijf. Verderop kijkt het Koninklijk Paleis uit over de vallei van de Manzanares, die nu door een lang park stroomt, Madrid Río, aangelegd boven een ondergrondse snelweg.
Ten oosten van Sol liggen de grote musea langs de Paseo del Prado: het Prado, van Velázquez tot Goya, het Reina Sofía, waar Guernica hangt, en het Thyssen. Daarachter ligt het Retiropark met zijn vijver om op te roeien, en ten noorden daarvan de deftige lanen van de wijk Salamanca. Ten noorden van de Gran Vía zijn Malasaña en Chueca de wijken van de avond: je eet er laat, en de pleinen blijven vol tot ver na middernacht. In het zuiden mengt Lavapiés winkeltjes uit de hele wereld met oude huizen met galerijen rond een binnenplaats.
De zomer is droog en verzengend: in juli en augustus drukt de hitte op de stad, en in augustus trekken veel Madrilenen weg. Van december tot februari zijn de ochtenden koud onder een vaak blauwe lucht; dan is het tijd voor cocido, een stoofpot met kikkererwten, en churros die je in dikke chocolade doopt. In de lente en de herfst ga je te voet van wijk naar wijk zonder erbij na te denken.