Barcelona zat lang opgesloten binnen zijn stadsmuren, rond de gotische wijk met de kathedraal, waarvoor in het weekend nog de sardana wordt gedanst, en rond de Born, waar de Santa Maria del Mar oprijst tussen de straten van de ambachtslui van weleer. Toen de stad zijn muren afbrak, tekende ingenieur Ildefons Cerdà daarbuiten een wijk als een dambord, de Eixample, waarin elk blok afgeschuinde hoeken kreeg: op elk kruispunt verbreedt de straat zich tot een pleintje. Aan de Passeig de Gràcia golven de Casa Batlló en La Pedrera tussen deftige burgerhuizen, en verderop naar het oosten staat de Sagrada Família, meer dan een eeuw geleden begonnen, nog altijd in de steigers.
Boven de Eixample ligt Gràcia, een oud dorp dat door de stad werd opgeslokt en waar het leven zich op de pleinen afspeelt, en nog hoger kijkt het Park Güell van Gaudí uit over de stad tot aan de zee. In het zuiden liggen op de heuvel Montjuïc musea en tuinen, en aan de overkant van de haven komt de stad in de Barceloneta, waar vroeger zeelui en vissers woonden, uit bij het strand. Op zondag voor het middageten nemen de Barcelonezen in alle wijken de vermut: vermout op ijs, met olijven.
In juli en augustus is de lucht zwoel en vochtig, ligt het zand vol handdoeken en eet je laat, als het wat afkoelt. In september is het water nog warm, en de maand eindigt met de feesten van La Mercè, wanneer de colles castelleres voor het stadhuis menselijke torens bouwen met een kind in de top; daarna brengt de herfst soms plotse onweersbuien. In de winter is het zacht in de zon en fris in de schaduw, en van januari tot maart is het tijd voor calçots, lente-uien die op wijnranken worden geroosterd en die je in romescosaus doopt. April en mei zijn zacht en vaak zonnig.