De Moldau snijdt Praag doormidden, en je steekt voortdurend de rivier over. Op de rechteroever ligt de oude stad rond haar plein, waar het astronomische uurwerk zijn figuurtjes laat bewegen tegenover de torens van de Týnkerk; ten noorden van het plein staan de synagogen van de Joodse wijk, en ten zuiden ligt de Nieuwe Stad, in de middeleeuwen gesticht, rond het lange Wenceslasplein. De Karelsbrug, met beelden aan weerszijden, brengt je naar Malá Strana, waar de straten oplopen naar de Burcht en de Sint-Vituskathedraal; iets zuidelijker kijk je van op de Petřínheuvel, vol boomgaarden, uit over de rode daken.
Stroomopwaarts torent de vesting Vyšehrad boven de rivier uit, met het kerkhof waar Dvořák en Smetana begraven liggen. In het oosten wonen de Pragenaars in Vinohrady, tussen de art-nouveaugebouwen, of in Žižkov, een arbeiderswijk met talloze kroegen; daar zet de kelner een streepje op een briefje bij elk glas, en je eet er stevige gerechten zoals goulash of svíčková, rundvlees in een romige saus met knedlíky, broodknoedels in plakjes. Op de Letnáheuvel, in het noorden, zie je 's avonds de lichten op de bruggen aangaan.
Van juni tot augustus is het warm, en 's avonds zit je langs de rivier. De winter is koud, soms besneeuwd, en van eind november tot begin januari staan er kerstmarkten op de pleinen. In maart talmt de winter nog; april en mei brengen zachter weer, dat in september nog even aanhoudt, voor de herfst grijs en vochtig wordt.
