De Algarve volgt de zuidkust van Portugal, van de lagunes in het oosten tot de kliffen in het westen. In het oosten ligt Tavira met zijn puntdaken langs de rivier, en daarna strekt de lagune van de Ria Formosa zich uit tot Faro: zoutpannen waar flamingo's neerstrijken, zandeilanden vol duinen die je met een bootje in een paar minuten bereikt, en in Olhão een vismarkt aan het water.
Ten westen van Faro rijst de kust op in okerkleurige kliffen, uitgesleten door de zee: baaitjes waar je over trappen in de rots naar afdaalt, zeegrotten zoals die van Benagil, die je met de boot bezoekt, en bij Lagos de rotsen van Ponta da Piedade, met een pad langs de rand van de kliffen naar andere stranden. In Portimão eet je sardines aan de haven, en je deelt een cataplana, zeevruchten en varkensvlees gegaard in een gesloten koperen pan. Voorbij Kaap Sint-Vincent buigt de kust naar het noorden, wild, met de deining die tegen de rotsen beukt. Achter de kust liggen heuvels: Silves onder zijn burcht van rode zandsteen, en de Serra de Monchique.
De zomer is droog en zonnig, en de Atlantische Oceaan blijft fris, vooral in het westen. In de zachte winter regent het maar af en toe, en in januari bloeien de amandelbomen in het achterland. In de lente staan de kliffen vol bloemen, en in oktober kun je nog zwemmen.