De medina van Marrakech ligt achter wallen van rode aarde, en in de soeks heeft elk ambacht zijn eigen steegjes: ververs, koperslagers, leerbewerkers. Jemaa el-Fna loopt vol naarmate het donker wordt, met muzikanten, de laatste vertellers en grillkraampjes, en vlakbij is de minaret van de Koutoubia een baken. In het zuiden, bij de Mellah, de oude Joodse wijk, zie je in het Bahiapaleis en de Saadische graftombes zellige en stucwerk, en achter de deuren van de riads houden patio's met sinaasappelbomen de koelte vast.
Buiten de wallen ligt een andere stad: Guéliz, de nieuwe stad, met brede lanen en cafés, en de Majorelletuin, met felblauwe muren tussen bamboe en cactussen. In het noordoosten strekt de Palmeraie zich uit, en in het zuiden beginnen in de Ourikavallei en bij Imlil de eerste wandelpaden van de Atlas.
In de lente, van maart tot mei, en in oktober en november is het zacht. Van juni tot september is het erg heet, en ga je vroeg in de ochtend of pas na zonsondergang op pad. In de winter blijft het zonnig, maar de nachten zijn koud, en bij helder weer tekenen de besneeuwde toppen van de Atlas zich af aan de zuidelijke horizon.
