Er komen geen auto's in Fès el-Bali: alles gaat er op de rug van muilezels, en de drijver roept „balak!” om je opzij te laten gaan. In het hart van de medina staat de Al Quaraouiyine-moskee, die door een vrouw, Fatima al-Fihri, werd gesticht en uitgroeide tot een groot centrum van geleerdheid; alleen moslims mogen er binnen, maar vlakbij kun je de medersa al-Attarine in, en hogerop, bij Bab Boujloud, de medersa Bou Inania, vol stucwerk, gesneden cederhout en zellige. Bij de looierijen van Chouara kijk je van op de terrassen van de leerwinkels neer op de stenen kuipen waarin de huiden in de verf liggen, en je krijgt een takje munt tegen de geur. In de eethuisjes bestel je bissara, een soep van tuinbonen met olijfolie en komijn, en in de riads pastilla, een taart van flinterdun deeg die zoet en hartig tegelijk is.
In het zuidwesten ligt Fès el-Jdid, de stad van de Meriniden, met het koninklijk paleis en zijn poorten van messing, en de Mellah, de oude Joodse wijk met houten balkons; verderop begint de nieuwe stad uit de tijd van het protectoraat. Aan het eind van de dag klim je naar de Merinidische graven in het noorden, om de medina onder in haar kom te zien oplichten.
De zomer is snikheet in die vallei ver van zee, en je gaat vroeg in de ochtend of na zonsondergang op pad. In de winter kunnen de dagen zacht zijn in de zon, maar 's nachts vriest het soms, en van november tot maart valt er regen. April, mei en oktober zijn aangenaam, met frisse ochtenden.
