Agadir werd heropgebouwd na de aardbeving die de stad in de vorige eeuw verwoestte, en de nieuwe stad groeide langs een grote zandbaai, met een promenade aan zee. Boven op de heuvel herinneren de gerestaureerde muren van de oude kasba aan de stad van vroeger. In de haven komen de blauwe bootjes binnen met de vangst, en je eet gegrilde sardines vlak bij de kaaien; binnen de muren van de grote soek El Had liggen stapels specerijen, olijven, fruit en keukengerei.
Voorbij de voorsteden begint de Souss, een vlakte vol arganbomen, waarvan de vruchten de arganolie leveren; de geiten die langs de wegen in de takken klimmen, worden er vaak voor toeristen in gezet. Verder naar het oosten ligt Taroudant binnen zijn lemen wallen. Ten noorden van de stad volgen de surfspots elkaar op van Taghazout tot Imsouane, en landinwaarts liggen in de Paradijsvallei poelen tussen de palmen, die in droge jaren laag staan.
Aan de kust houdt de oceaan de zomer op afstand, soms met ochtendnevel; maar als de chergui waait, een hete woestijnwind, schiet de temperatuur omhoog. De winter, van november tot maart, blijft zonnig, en dan valt ook het beetje regen dat de stad krijgt. In april, mei en oktober is het binnenland niet te heet, de tijd om de Souss in te trekken.
