De Yamanotelijn, de ringlijn, verbindt de meeste grote wijken van Tokio, en die lijken niet op elkaar. In het oosten heeft Asakusa nog iets van de oude koopmansstad, rond de Senso-ji en zijn lange winkelstraat; in het noorden ligt Yanaka, dat de bombardementen doorstond, met nog houten huizen, tempels en ateliers. Zuidelijker, bij het keizerlijk paleis, verkopen de warenhuizen van Ginza in hun kelders kant-en-klare gerechten en fruit dat als juwelen is verpakt. De groothandelsmarkt is naar Toyosu verhuisd, maar de buitenmarkt van Tsukiji is gebleven, met kraampjes die zoete omelet en kommen rijst met rauwe vis verkopen.
In het westen draait alles in Shinjuku en Shibuya om torens, neon en mensenmassa's: in Shibuya steek je het grote kruispunt in alle richtingen over, en in de steegjes van Golden Gai in Shinjuku zitten bars zo klein dat er amper een handvol mensen in past. Daartussen, in Harajuku, ligt het Meiji-heiligdom in een bos dat met bomen uit heel Japan werd aangeplant. Je eet ramen aan de toog of kipspiesjes in een buurtkroeg, en voor een dagtocht ga je naar de grote Boeddha van Kamakura, of naar de warme bronnen van Hakone.
Eind maart of begin april bloeien de kersenbomen en picknick je eronder: dat is hanami. Van juni tot half juli valt de tsuyu, dagenlang fijne regen; daarna wordt de zomer drukkend heet, en van augustus tot oktober trekken er tyfoons over. Eind november en begin december kleuren de esdoorns rood in de tuinen, en in de droge, koude winter is de lucht zo helder dat je van op de torens de Fuji ziet.
