De Liffey stroomt door Dublin naar de baai. Op de zuidoever ligt in Trinity College, onder glas, het Book of Kells, een evangelieboek dat monniken in de vroege middeleeuwen verluchtten; in het zuidoosten strekken de Georgiaanse pleinen zich uit, zoals Merrion Square met zijn kleurrijke deuren, en in het westen, in de gekasseide straatjes van Temple Bar, schuiven 's avonds muzikanten in de pubs rond een tafel aan voor een sessie traditionele muziek: viool, fluit en bodhrán. Op de noordoever loopt O'Connell Street naar het Hoofdpostkantoor, het hart van de Paasopstand.
In het westen van de stad, bij St James's Gate, maakt Guinness al sinds de achttiende eeuw zijn stout; verderop grazen damherten in het Phoenix Park, en de gevangenis van Kilmainham, ernaast, herinnert aan de strijd voor onafhankelijkheid. En de zee is nooit ver: de kusttrein brengt je in het noorden naar Howth, waar een pad langs de kliffen loopt, en in het zuiden naar Sandycove, waar de Martellotoren waarin Joyces Ulysses begint, een museum is geworden.
Het regent vaak, maar zelden lang. Van juni tot augustus zijn de dagen lang en blijft het tot laat licht. In de winter worden de dagen kort en grijs, en zoek je een plek bij het vuur. In de lente en de herfst wisselen opklaringen en buien elkaar voortdurend af: een regenjas volstaat.
