In Hongkong duiken de bergen steil in zee, en de stad heeft zich in de weinige ruimte ertussen gewrongen. Op het eiland brengen overdekte roltrappen voetgangers van Central naar de straten van Mid-Levels; daarboven bereik je de Victoria Peak met de kabelspoorweg of over paden door het bos. Aan de overkant van de haven begint Kowloon.
Daar wordt het nog drukker en dichter. In Mong Kok puilen de markten uit tot op straat, en iets zuidelijker eet je 's avonds in Temple Street aan klaptafels tussen de kramen, en daarna knabbel je al wandelend aan een eierwafel. Dim sum neem je dan weer 's ochtends en 's middags in de theehuizen. De torens zelf beslaan maar een klein deel van het grondgebied: voorbij Kowloon liggen in de New Territories bergkammen, ommuurde dorpen en de grillige kust van Sai Kung, en vanuit Central varen boten naar Lamma en zijn vissersdorpen, of naar Lantau, waar de grote Tian Tan-boeddha boven het plateau van Ngong Ping uitsteekt.
De herfst is droog en zonnig, het seizoen om te wandelen. De winter is zacht en wordt grijzer naarmate hij vordert, en in de lente stijgt de vochtigheid en hangt er nevel rond de toppen. De zomer is heet, drukkend en erg nat, en van mei tot november trekken er tyfoons over: wanneer een hoog tyfoonsignaal wordt gehesen, gaan kantoren en scholen dicht, blijven de veerboten aan de kade en ligt alles stil tot de wind gaat liggen.
