Manhattan is een eiland, maar New York is over het water heen gegroeid, via bruggen, tunnels en veerboten. In het zuiden van het eiland volgt het stratenpatroon nog de oude stad: Wall Street, de bakstenen rijhuizen van Greenwich Village, de Lower East Side, waar de delis nog altijd broodjes pastrami serveren. Verder naar het noorden begint het raster van straten en avenues, met de galerieën van Chelsea en de High Line, een oude, verhoogde spoorlijn die een wandelpark werd, en daarna de wolkenkrabbers van Midtown, tot aan Central Park met zijn meren en rotsen. Voorbij het park, in Harlem, klinkt op zondag gospel in de kerken en 's avonds jazz in de clubs.
Over de Brooklyn Bridge wandel je, op een houten loopbrug boven het verkeer, naar de overkant, waar Dumbo en Brooklyn Heights recht op Manhattan uitkijken; verder naar het noorden heeft Williamsburg zijn oude pakhuizen omgebouwd tot winkels en cafés. Met de metro ga je daarna naar Queens, waar elke wijk kookt voor wie er woont: Chinese dumplings in Flushing, Himalayaanse momo's of taco's in Jackson Heights.
In juli en augustus is de lucht zwaar, en de grasvelden en dakterrassen lopen vol. Van december tot februari is het bitter koud, soms met sneeuwstormen, het seizoen van de schaatsbanen en de grote tentoonstellingen. In de lente bloeien de kersenbomen in de tuinen, en in de herfst kleuren de bomen rood, tot in november.