Na een dodelijke overstroming in de vorige eeuw heeft Valencia de Turia omgeleid en van de oude rivierbedding een lange tuin gemaakt die onder de bruggen door de stad loopt: je jogt en fietst er tussen sinaasappelbomen en pijnbomen, tot bij de witte gebouwen die Calatrava voor de Stad van de Kunsten en de Wetenschappen ontwierp. In de oude stad, tegenover de Mercado Central met zijn glazen koepel, staat de Lonja, de vroegere zijdebeurs, waar gedraaide zuilen onder het gewelf als palmbomen uitwaaieren. In het oosten loop je door de Cabanyal, met lage huizen vol tegeltjes, naar het strand van de Malvarrosa.
De paella komt uit de rijstvelden van de Albufera, de lagune ten zuiden van Valencia: rijst met kip, konijn, platte bonen en garrofó, grote witte bonen, gegaard in de brede pan, liefst op houtvuur, en je eet hem 's middags, niet 's avonds. In El Palmar, aan het water, proef je ook all i pebre, een stoofpot van paling met look en paprika. In de stad drink je horchata, een koude drank van aardamandelen, waarin je fartons doopt, lange, zachte broodjes met suiker.
De Fallas luiden de lente in: in maart zet elke wijk reusachtige figuren neer, dagelijks in het begin van de namiddag doet de mascletà het stadhuisplein daveren, en in de nacht van Sint-Jozef gaat alles in vlammen op. Juli en augustus zijn klam, al brengt de zeebries wat verkoeling. In de herfst kan de gota fría de kust in een paar uur onder water zetten; de rest van het jaar valt er weinig regen, en de winter is helder.
