In Singapore draagt elke wijk nog de stempel van wie ze bouwde. Aan de baai kijken de torens van het zakendistrict uit op Gardens by the Bay, waar in een reusachtige serre een nevelwoud groeit, en langs de rivier zijn de oude pakhuizen van Boat Quay en Clarke Quay restaurants geworden. Daaromheen liggen de tempels en winkelhuizen van Chinatown, de specerijen en bloemenslingers van Little India, de Sultanmoskee in Kampong Glam en, in het oosten, de kleurrijke Peranakanhuizen van Joo Chiat. Een paar metrohaltes van het centrum ligt de botanische tuin, met gazons rond een stuk oerwoud dat de stad heeft gespaard.
Eten doet heel Singapore in de hawker centres, overdekte eethallen waar elk kraampje vaak alleen zijn eigen specialiteit maakt: Hainanese kip met rijst, laksa met kokosmelk, saté, en om de dag te beginnen kaya toast met een kopi. Die hawkercultuur staat op de Unesco-lijst van immaterieel erfgoed.
Het is er het hele jaar heet en vochtig. In december en januari brengt de noordoostmoesson langdurige regen, en februari is winderig en vaak droger. Tussen de moessons, in april en mei en opnieuw in oktober en november, barst er bijna elke namiddag een onweersbui los, waarna de lucht weer opklaart, en van juni tot september valt er met de zuidwestmoesson wat minder regen.
