Porto loopt steil af naar de Douro. In de Mercado do Bolhão koop je vis, fruit en bloemen, en in de cafés in de buurt heb je aan een francesinha genoeg voor de hele dag: een sandwich met vlees, overgoten met gesmolten kaas en een biersaus. Iets lager is de hal van station São Bento bekleed met blauw-witte azulejos die de geschiedenis van Portugal in beeld brengen; van daar dalen granieten steegjes, tussen de kathedraal en de Clérigostoren, af naar de Ribeira, met betegelde gevels en wasgoed aan de ramen, tot aan de kaaien.
De ijzeren Dom Luís-brug overspant de rivier met een bovendek en een onderdek, en te voet steek je over naar Vila Nova de Gaia, waar de portwijn rijpt in de kelders van de wijnhuizen; op het water deinen de rabelos, platbodems die vroeger de vaten naar beneden brachten. Stroomopwaarts, in de Dourovallei, staan de wijnstokken op terrassen tegen de hellingen. Stroomafwaarts rijdt de oude tram langs de rivier tot in Foz, waar ze in de Atlantische Oceaan uitmondt, en verder naar het noorden liggen de stranden van Matosinhos.
In de zomer, van juni tot september, is het aangenaam en zelden erg heet, en 's ochtends hangt er soms zeemist. Van oktober tot maart regent het vaak en blijven de dagen lang grijs, met af en toe een opklaring. April en mei zijn zacht en droger.
