Na de aardbeving die Lissabon in de tijd van de Verlichting verwoestte, liet de markies van Pombal de Baixa heropbouwen in een dambordpatroon, rond houten geraamtes die moesten buigen zonder te breken; de Rua Augusta loopt er onder een triomfboog door tot aan het Praça do Comércio aan de Taag. In het oosten, in de Alfama, die de aardbeving beter doorstond, lopen trappenstraatjes omhoog naar het kasteel São Jorge, en de gele tram wringt zich er door bochten zo krap dat je de gevels bijna raakt; in het westen kom je via de straten van Chiado en de Bairro Alto, waar je 's avonds uitgaat, bij uitkijkpunten met zicht op de rode daken en de rivier.
Fado wordt gezongen in de kroegen van de Alfama en de Mouraria, en op sommige avonden, bij de fado vadio, mag eender wie opstaan om te zingen; op de Rossio drink je een ginjinha, een kriekenlikeur, staand aan een toog die open is naar de straat. Aan de kade van Cais do Sodré neem je de veerboot naar Cacilhas, tegenover de stad. Stroomafwaarts, in Belém, verkoopt een banketbakkerij naast het Jerónimosklooster al generaties pastéis de nata, en verderop loopt de trein langs de monding tot in Cascais.
De zomer is droog, en de nortada, een noordenwind, verkoelt de namiddagen op de heuvels; de Atlantische Oceaan blijft fris op de stranden van Cascais en Caparica. De meeste regen valt tussen november en februari, op grijze dagen met af en toe zon. In de lente en in oktober is het licht zacht, tussen voorbijtrekkende buien door.