Manilla is een metropool van aan elkaar gegroeide steden, die zich uitstrekken van de baai tot aan de heuvels in het oosten. Het oude hart is Intramuros, de ommuurde stad die de Spanjaarden aan het water bouwden: de barokke San Agustín-kerk, schaduwrijke binnenplaatsen, koetsjes die over de kasseien hobbelen. Net aan de overkant van de Pasig ligt Binondo, de Chinese wijk, met bakkerijen, Chinese kruidenwinkels en tempels vol wierook. In de eethuisjes van die oude wijken eet je adobo, gestoofd in azijn en look, en sisig, dat sist in een gietijzeren pan.
In het zuidoosten verandert de stad van gezicht: de glazen torens van Makati en Bonifacio Global City, met kantoren en winkelcentra met airco, waar je de hete uren doorbrengt. In het noordoosten spreidt Quezon City, ooit de hoofdstad, zijn universiteiten en woonwijken uit. Van de ene naar de andere ga je met de bovengrondse metro, of met een jeepney of een taxi, vaak stapvoets in de file. Aan het eind van de dag trekken veel inwoners weer naar het water, naar de promenade langs Roxas Boulevard, met een halo-halo in de hand, geschaafd ijs met fruit en zoete bonen, om de zon boven de baai te zien zakken.
Manilla kent geen winter. Het droge seizoen loopt van december tot mei: tot februari is het draaglijk, daarna wordt het in maart, april en mei benauwd heet. Van juni tot oktober brengt de moesson zware regen, soms dagenlang, en tot in november is het ook tyfoonseizoen: plan dan wat marge in.