Pizarro stichtte Lima rond de Plaza de Armas, aan de Rímac, en de stad werd de hoofdstad van het onderkoninkrijk Peru; het historische centrum draagt er nog de sporen van, in de kathedraal, de gesneden houten balkons en de betegelde kloostergangen. Daarna groeide de stad naar het zuiden, tot aan de zee. Miraflores en Barranco liggen op kliffen die steil naar de Stille Oceaan afvallen, met een wandelpad langs de rand, paragliders die boven de afgrond zweven en beneden surfers die op hun golf wachten; Barranco, de kunstenaarswijk, heeft zijn oude zomerhuizen en zijn Brug van de Zuchten behouden.
In de keuken proef je iedereen die hier ooit aankwam, uit de Andes, Spanje, Afrika, China en Japan. Ceviche, rauwe vis gemarineerd in limoensap, met maïs en zoete aardappel, eet je 's middags, in cevicherías die vaak in de namiddag al sluiten; lomo saltado, rundvlees uit de wok, dankt zijn techniek aan Kantonese koks, en anticuchos, spiesjes van runderhart die in de keukens van Afrikaanse slaven ontstonden, liggen op de grill op de straathoek. Je sluit af met picarones, gefrituurde deegringen met siroop.
Aan deze woestijnkust regent het bijna nooit. Van december tot april breekt de zon door, wordt het warm en trekt de stad naar het strand. Van juni tot oktober hangt er een grijze deken en valt er fijne motregen, de garúa: het is fris en vochtig, de tijd voor lange maaltijden. In mei en november twijfelt het weer tussen beide.
