Fenicisch, Arabisch, Normandisch, Spaans: Palermo wisselde vaak van heerser, en elk tijdperk liet een stuk stad achter. Aan de Arabieren dankt de stad haar markten, die nog iets van een soek hebben: op Ballarò roepen de verkopers de voorbijgangers al zingend aan tussen de kramen met citroenen, aubergines en zwaardvis, een traditie die de abbanniata heet. Onder de Normandische koningen bouwden Arabische en Byzantijnse ambachtslui de Cappella Palatina, waar een Arabisch houten plafond boven gouden mozaïeken hangt. Van hen zijn ook de rode koepels van San Giovanni degli Eremiti en, in het naburige Monreale, de kathedraal waar Christus Pantocrator de apsis vult. Later legden de Spaanse onderkoningen de Via Maqueda aan, die de oude Cassaro kruist op de Quattro Canti; van daar loopt de Cassaro via de Kalsa, de oude Arabische wijk, af naar de zee.
Streetfood eet je hier staand, aan de toog of op de markt: panelle, gefrituurde kikkererwtenkoekjes in een broodje, arancine gevuld met vlees of kaas, en sfincione, een dikke pizza met ui en ansjovis. En zodra het mooi weer wordt, trekken de Palermitanen naar het noorden, naar het strand van Mondello aan de voet van de Monte Pellegrino.
Van juni tot september is het heet, en de scirocco uit Afrika maakt de lucht soms verzengend: je gaat vroeg op pad, brengt de namiddag aan zee door en eet laat. In de lente wordt de lucht zachter en warmt de zee op; in oktober is ze nog lauw. De winter, van november tot maart, is nat maar zelden koud, en de straten vinden hun gewone ritme terug.
