De Akropolis is het baken van Athene, van bijna overal te zien. Je klimt er 's ochtends vroeg naar boven, via de Propyleeën, nog voor het heet en druk wordt, en het Parthenon verschijnt in het lage ochtendlicht. Op de noordflank lijkt Anafiotika op een dorp van de Cycladen: onder koning Otto bouwden metselaars van het eiland Anafi er witte huisjes en steegjes zo smal dat je de muren met je schouders raakt. Beneden komen de Plaka en Monastiraki uit bij de antieke agora, en in het noordoosten zie je van op de Lycabettus de hele stad tot aan de zee.
Op het Syntagmaplein, voor het parlement en het graf van de Onbekende Soldaat, lossen de evzonen van de presidentiële wacht elkaar af met trage passen, in fustanella en schoenen met pompons. In de Varvakios, de centrale markthal, roepen slagers en vishandelaars luid hun waar om, en op straat koop je een koulouri, een ring van brood met sesam. In Piraeus, in het zuidwesten, vertrekken de veerboten naar de eilanden, en zuidoostwaarts loopt de kustweg naar Kaap Sounion, waar je de zon ziet ondergaan achter de tempel van Poseidon, hoog boven de Egeïsche Zee.
Juli en augustus zijn bloedheet, en tijdens hittegolven gaat de Akropolis midden op de dag dicht. In de lente staat de Filopapposheuvel vol gras en klaprozen; in de herfst is de zee ten zuiden van de stad nog warm genoeg om te zwemmen. De winter is mild, met periodes van regen, en soms sneeuwt het op de Parnitha.
