Málaga leunt tegen de heuvel van Gibralfaro: de wallen van het kasteel kronen de top, de Alcazaba, een Moorse vesting, klampt zich vast aan de helling, en aan de voet ervan werd een Romeins theater blootgelegd. Onderaan de heuvel ligt het autovrije oude centrum, tussen de kathedraal, die de Malagueños de Manquita noemen omdat er een toren ontbreekt, en de Calle Larios, die uitkomt bij de haven. Picasso werd hier geboren, aan de Plaza de la Merced, in het huis waarin nu zijn stichting zit, en een museum in de stad toont zijn werk.
In de markthal van Atarazanas, onder het grote glas-in-loodraam, koop je olijven, amandelen en fruit uit de streek. Naar het oosten volgt de stad de kust: na het strand van La Malagueta komen Pedregalejo en El Palo, oude vissersbuurten, waar de sardines aan spiesen schuin in het zand van een oud bootje boven het houtvuur staan te roosteren. Je drinkt er een frisse witte wijn bij, en de zoete wijn van Málaga bewaar je voor het dessert.
De zomer is warm, en waait de terral, een droge landwind, dan wordt het verzengend heet. In de milde winter, met nu en dan een regendag, zijn de witte dorpen in de bergen achter de stad aangenaam om te bezoeken. In de lente vullen de processies van de Semana Santa het centrum.
