De Balearen lijken nauwelijks op elkaar. Op Mallorca, het grote eiland, ligt Palma, de hoofdstad van de eilandengroep, waar de Seu, de gotische kathedraal, boven de baai uittorent; in het noordwesten stort de Serra de Tramuntana met steile kliffen in zee, en stenen dorpen als Valldemossa en Deià liggen op de hellingen, tussen terrassen met olijfbomen; in het zuidoosten vind je turquoise baaien in de kalksteen. Je proeft er ensaïmada, een spiraalvormig zoet broodje met poedersuiker, en sobrasada, een smeerbare worst met paprika.
Op Menorca, dat rustiger is, dringt de diepe natuurlijke haven van Maó ver het land in, en overal in het landschap staan prehistorische stenen torens, de talaiots. In de haven van Ibiza, onder de wallen van de bovenstad, neem je de boot naar het vlakke Formentera, waar de zee de kleur van een lagune krijgt.
In de zomer schijnt de zon bijna elke dag en is de zee warm; in juli en augustus is het er erg druk. In oktober kun je nog zwemmen; in mei is het water fris, maar de wandelpaden zijn rustig. De winter brengt wind en wat regen, en in februari bloeien de amandelbomen in het binnenland van Mallorca.
