Wie San José wil begrijpen, begint op de markt. In de hallen van de Mercado Central eet je aan de toog van een soda, zo'n klein volksrestaurantje, een casado: rijst, zwarte bonen, bakbanaan en wat de keuken die dag klaarmaakt. Een paar straten verder herinnert het Teatro Nacional, ooit betaald met een belasting op de koffie-export, aan wat de stad aan de boon te danken heeft; onder het plein ernaast ligt het museum van het precolumbiaanse goud, en in Barrio Amón wandel je langs de kleurrijke huizen van de vroegere koffieplanters.
De stad ligt in de Centrale Vallei, een hoogvlakte tussen de bergen, en net buiten de voorsteden beginnen de plantages, op de hellingen van Heredia, waar boerderijen je de koffie ter plekke laten proeven. Hoger rijzen de vulkanen op: de Poás met zijn krater, als de wolken en de dampen het toelaten, en de Irazú, boven de oude hoofdstad Cartago en haar basiliek.
Van december tot april duurt het droge seizoen: de lucht is helder en de wegen naar de vulkanen zijn makkelijker. Van mei tot november spreken de Costaricanen van winter en de reisbureaus van het groene seizoen: de regen valt vooral in de namiddag, na zonnige ochtenden, en in september en oktober kan het flink gieten. Door de hoogte wordt het er nooit echt heet of echt koud.
