Seoel ligt tussen de bergen, aan weerszijden van de Han, maar groeide eerst alleen ten noorden van het water, rond de koninklijke paleizen. Tussen Gyeongbokgung en Changdeokgung wonen nog mensen in de hanoks van Bukchon, houten huizen met gebogen pannendaken, en een deel van de wijk is alleen overdag open voor bezoekers. Iets zuidelijker, onder het niveau van de lanen, stroomt de Cheonggyecheon, een beek die lang onder een verhoogde snelweg verdween en begin deze eeuw weer werd opengelegd: je wandelt er langs het water en steekt over op stapstenen.
Vlakbij, in het oosten, ga je in de overdekte markt van Gwangjang aan de toog zitten bij de vrouwen die bindaetteok bakken, pannenkoeken van mungbonen die voor je neus in de olie gaan, en drink je er een kom makgeolli bij, troebele rijstwijn. Buiten het oude centrum verandert de stad van schaal: de Namsantoren staat op zijn beboste heuvel, in het westen spelen 's avonds bandjes op straat in Hongdae, bij de kunstacademies, en aan de overkant van de rivier ligt Gangnam, met glazen kantoortorens en grote warenhuizen. 's Avonds laat je op de grasvelden langs de Han gefrituurde kip bezorgen, open je een biertje en zie je de bruggen oplichten.
De winter komt uit Siberië: droge kou, ochtenden onder nul, vaak een blauwe lucht, en het seizoen van de jjimjilbang, een badhuis dat dag en nacht open is en waar je op een verwarmde vloer ligt. De zomer begint met de moesson: van eind juni tot eind juli brengt de jangma een groot deel van de jaarlijkse regen, en augustus is broeierig. Lente en herfst zijn kort: eind maart of begin april bloeien de kersenbomen op de oevers van Yeouido, en van eind oktober tot half november kleuren de ginkgo's geel in heldere, droge lucht.
